![]()
DE ZOETWATERVISSEN VAN NEDERLAND
![]()
De Rivierprik :

HERKENNING : De zuigbek is voorzien van een raspschijf, deze is bezet met een klein aantal tandjes. Er zijn aan elke zijde 7 kieuwopeningen . De zijden en de buik zijn zilverkleurig . Bij geslachtrijpe dieren is de rug zwart.
VERSPREIDING : Vrij zeldzaam . Komt in gering aantal voor in rivieren en beken. Wordt in zoetwater geboren maar trekt na 3 á 4 jaar naar zee en groeit daar verder op . Keert na enkele jaren terug om zich voort te planten.
VOEDSEL : Volwassen prik leeft als een parasiet op andere vissen in brak en zout water .
![]()
PALING :

HERKENNING : Het lichaam is slangachtig van vorm . De borstvinnen bevinden zich direct achter de kop . Op het achterste deel van het lichaam is , zowel onder als boven een vinvorm aanwezig die uitloopt tot in de staartpunt.
VERSPREIDING : Normaal trekt de glasaal van ca. 6 cm vanuit zee de binnenwateren in . De volwassen paling trekken terug naar zee om zich voort te planten in de Zaragossa Zee.
VOEDSEL : De voorkeur gaat uit naar insektenlarven en kleine kreeftachtigen. De grotere paling eten ook wel visjes en weekdieren.
DE LENGTE : De paling kan een lengte bereiken van circa 1,25 meter.
![]()
FINT :

HERKENNING : Zwarte schoudervlek, gevolgd door een aantal zwarte stippen. De ogen zijn bedekt met een doorzichtig vlies
VERSPREIDING : Zeldzaam . Komt soms voor in zoete wateren die via sluizen in zee uitmonden.
VOEDSEL : Bestaat voornamelijk uit dierlijk plankton en kleine visjes.
LENGTE : De lente van de Fint kan ongeveer 55 cm worden.
![]()
SNOEK :
HERKENNING : Vier buikvinnen voor zijn stabiliteit in het water , en één rug een anaalvin achter op het lichaam en een zeer krachtige staart. De kop loopt uit in een platte bek . Het lichaam is getekend met goudkleurige stippen en strepen in alle vormen en strepen.
VERSPREIDING : De snoek heeft een voorkeur voor heldere wateren , omgeven met veel plantenrijke oevers.
VOEDSEL : Zijn voedsel bestaat veelal uit vis
LENGTE : De lengte van de Snoek kan ongeveer 1,40 meter worden.
![]()
BLANKVOORN :

HERKENNING : De bek is eindstandig. Boven in het oog bevind zich een rode vlek. Voorzijde rugvin zit boven de voorzijnde buikvinnen. Op de zijlijn zitten zo'n 43 tot 47 schubben.
VERSPREIDING : Komt in allerlei water typen voor.
VOEDSEL : Voornamelijk slakjes en insektenlarven en soms plantdelen
LENGTE : De Lengte van de vis kan circa 45 cm worden.
![]()
KOLBLEI :

HERKENNING : Word vaak verward met de kleinere exemplaren van de brasem. Aantal rijen schubben boven de zijlijn bedragen
8 tot 10 . De oogdiameter is groter dan de afstand van het oog tot de punt van de bek.
VERSPREIDING : Algemeen . Komt voor in alle watertypes.
VOEDSEL : voornamelijk insectenlarven , kleine kreeftachtigen , wormpjes en dierlijk plankton .
LENGTE : De vis kan +/_ 35 cm worden.
![]()
BRASEM :

HERKENNING : Kleine Brasems kunnen verward worden met de kolblei. Aantal rijen schubben boven de zijlijn bedragen 12 tot 14. De oog diameter is kleiner dan de afstand van het oog tot de punt van de bek. De bek is onderstandig en ver uitstulpbaar.
VERSPREIDING : Komt in alle watertypes voor.
Voedsel : Voornamelijk insectenlarven , kleine kreeftachtigen , wormpjes , maden
LENGTE : De Brasem kan wel 80 cm worden .
![]()
SCHUBKARPER :

HERKENNING : In Nederland komen van de karper 4 verschillende beschubbingstypen voor. Deze typen worden aangeduid als schubkarper , spiegelkarper , rijenkarper , en naaktkarper . Er zijn 4 bekdraden aanwezig, waarvan 2 in de hoeken van de bek en 2 kortere op de bovenlip. De rand van de rugvin is hol ingesneden . De voorste vinstraal van de rugvin is stevig en getand.
De Rijenkarper : Is van de andere Karpertypen te onderscheiden door het voorkomen van enkele grote schubben op de zijlijn.
De Naaktloper : Is van de andere Karpertypen te onderscheiden door geen of dat er slechts enkele schubben aanwezig zijn .
VERSPREIDING : Ingeburgerd , Algemeen , Komt door uitzetting in veel wateren voor.
VOEDSEL : Voornamelijk insektenlarven , weekdiertjes , wormpjes en kreeftachtigen.
LENGTE : Deze karpers kunnen een lengte van 120 cm bereiken .
![]()
BAARS :

HERKENNING : De rugvinnen zijn gescheiden, waarvan de voorste uitsluitend harde stekels heeft, Op de achterzijde van de voorste rugvin bevindt zich een zwarte vlek . Over het lichaamlopen een aantal verticale donkere banden.
VERSPREIDING : Algemeen , komt in alle wateren voor.
VOEDSEL : Eet allerlei dierlijk voedsel, maar boven een lengte van 15 cm meestal vis .
LENGTE : De baars kan wel een lengte van 50 cm halen.
![]()
DE SNOEKBAARS :

HERKENNING : De twee rugvinnen zijn gescheiden, waarvan de voorste uitsluitend harde stekels heeft. De bovenkaak loopt door tot achter het violet oplichtende oog.
VERSPREIDING : Algemeen , Komt voor in troebele en diepere heldere wateren. Heeft daarbij de voorkeur voor een stevige bodem .
VOEDSEL : Hoofdzakelijk kleine vis.
LENGTE : De Snoekbaars kan wel een lengte van 120 cm bereiken .
![]()
BARBEEL :

HERKENNING : De bek is onderstandig met dikke uitstulpbare lippen . Er zijn vier bekdraden aanwezig , waarvan twee op de bovenlip en één in elke hoek van de bek . De rand van de rugvin is hol ingesneden. Vier buikvinnen en één anaalvin .
VERSPREIDING : Zeldzaam , Wordt hoofdzakelijk aangetroffen in het stroomgebied van de Limburgse Maas , maar komt in andere grote rivieren ook voor.
VOEDSEL : Vooral insektenlarven , wormpjes en weekdieren.
LENGTE : De Barbeel kan een lengte van wel 75 cm bereiken.
![]()
BEEKFOREL :

HERKENNING : Op het Lichaam komen rode en zwarte vlekken voor , die meestal blauw en wit zijn omzoomd. Bovengenoemde vlekken ontbreken op de staartvin . Er is een vetvin aanwezig . Vier buikvinnen en een anaalvin , rugvin en vetvin.
VERSPREIDING : Zeldzaam , In verschillende beken wordt getracht door uitzetting een natuurlijke forellen bestand te crieeren . Ook komt de beekforel door uitzetting in veel wateren voor.
VOEDSEL : Voornamelijk insekten , larven , kreeftachtigen en soms kleine vissen.
LENGTE : De vis kan een lengte van wel 100 cm bereiken.
![]()
RIETVOORN :

HERKENNING : De bek is bovenstandig . Voorzijde rugvin duidelijk achter voorzijde buikvinnen . Vier buikvinnen en anaalvin.
VERSPREIDING : Algemeen . Komt voor in ondiepe plantenrijke wateren.
VOEDSEL : Voornamelijk insekten en larven ervan , soms plantendelen.
LENGTE : De lengte van de vis kan uitgroeien tot een lengte van +/- 45 cm
![]()
MEERVAL :

HERKENNING : Er zijn zes bekdraden aanwezig , waarvan twee op de onderkaak , twee in de hoeken van de bek en twee lange sprieten op de kop voor de zeer kleine ogen. De opvallend zeer kleine rugvin bevind zich ver naar voren op het lichaam . Op het achterste deel van het lichaam is aan de onderzijde een vinzoom aanwezig.
VERSPREIDING : Zeldzaam . Komt voor in de Westeinderplassen en de daarmee in verbinding staande wateren. Wordt ook regelmatig in de rivieren en op andere plaatsen gevangen.
VOEDSEL : Voornamelijk vis.
LENGTE : Deze vis kan wel 250 cm lang worden.
![]()
ZEELT :

HERKENNING : De iris van het ook is oranje gekleurd. De vinnen zijn bolrood. Er zijn twee bekdraden aanwezig . Onder de dikke slijmhuid bevinden zich op de zijlijn 95 tot 120 kleine schubben.
VERSPREIDING : Algemeen. Komt voor in wateren met veel plantengroei en zeer zachte bodem .
VOEDSEL : Voornamelijk insektenlarven , wormen en slakjes.
LENGTE : De lengte kan circa 60 cm worden.
![]()
KOPVOORN :

HERKENNING : Kan worden verward met de kroeskarper, onder de zijlijn liggen 3 á 4 rijen schubben. Het lichaam is cilindrisch, de kop tamelijk plat en breed. De anaalvin is bolrood .
VERSPREIDING : Vrij zeldzaam. Word hoodzakelijk aangetroffen in het stroomgebied van de Limburgse Maas . Maar komt ook elders in de grote rivieren en een aantal beken voor.
VOEDSEL : insekten , insektenlarven , weekdieren , soms plantendelen en kleine vis.
LENGTE : De lengte kan tot +/- 65 cm oplopen.
![]()
ZONNEBAARS :

HERKENNING : Op het kieuwdeksel bevind zich vaak een oranje-rode zwart omrande vlek. De rugvin bestaat uit een geheel, waarin echter een gedeelte met harde stekels en een hoger gedeelte met zachte stekels te zijn onderscheiden. Het lichaam is opvallend getekend met blauwachtige flanken , bezet met geelbruine en rode vlekjes.
VERSPREIDING : Ingeburgerd , zeldzaam . Komt oorspronkelijk uit Noord-Amerika . Wordt in ons land voornamelijk aangetroffen in vennen en plantenrijke wateren in Noord-Brabant. Verder in op sommige plaatsen in en langs de limburgse Maas en in Noord en Zuid Holland.
VOEDSEL : Hoofdzakelijk dierlijk plankton , insekten , insektenlarven en visbroed.
LENGTE : Lengte van het visje tot +/- 15 cm
![]()
SERPELING :

HERKENNING : Kan worden verward met blankvoorn. De bek is onderstandig . De rand van de rugvin en anaalvin is hol ingesneden. De iris is geelachtig.
VOEDSEL : Insekten , insektenlarven en andere kleine diertjes als worpjes en slakjes
VERSPREIDING : Vrij zeldzaam . Komt voor in beken en rivieren .
LENGTE : De lengte van de vis tot circa 30 cm.
![]()
SNEEP :

HERKENNING : De bek is onderstandig en ligt onder een vooruitstekende neus. De hoornig hard aanvoelende lippen vormen een vrijwel rechte speet. Op de zijlijn liggen 56 tot 61 schubben. De borstvinnen vrij rood gekleurd.
VERSPREIDING : Zeldzaam . Word hoofdzakelijk aangetroffen in de Limburgse Maas maar komt ook voor in de IJssel en Lek en nog verder stroomafwaarts.
VOEDSEL : De vis schraapt met zijn bek het voedsel van de stenen in voornamelijk rivieren , bestaande uit kleine diertjes en algen .
LENGTE : De lengte van deze vis kan tot circa tot 50 cm uitgroeien.
![]()
POS :

HERKENNING : De rugvin bestaat uit een gedeelte met harde stekels en een gedeelte met zachte stekels. Het lichaam, inclusief de staart en rugvin is getekend met donkere vlekjes.
VERSPREIDING : Algemeen. Komt met name voor in grotere wateren en het IJsselmeer.
VOEDING : Hoofdzakelijk insektenlarven en kleine kreeftachtigen.
LENGTE : De lengte wordt maximaal 20cm .
![]()
REGENBOOG FOREL :

HERKENNING : De bovenkaak loopt door tot ver achter het oog. De voorrand van de buikvin, borstvin en anaalvin is lichtgekleurd met zwarte omranding . De staartvin is eveneens zwart omrand . Er is een vetvin aanwezig . De rug is gemarmerd licht/donker getekend.
VERSPREIDING : Uitgezette vissen soms in de Maas en Geul , maar dit komt hoofdzakelijk in Noord-Amerika voor .
VOEDSEL : Voornamelijk insekten , insektenlarven , kreeftachtigen en kleine vissen.
LENGTE : De lengte van de vis kan tot wel 100 cm worden.
![]()
RIVIER DONDERPAD :

HERKENNING : De 2 rugvinnen grenzen aan elkaar, het achterste deel is beduidend langer dan het voorste deel. Op het kieuwdeksel bevindt zich een omhoog wijzend stekeltje. De ogen liggen dicht bij elkaar boven de kop . Schubben ontbreken bij deze vis.
VERSPREIDING : Vrij zeldzaam . Komt in geringe aantallen voor in de beken. Heeft een voorkeur voor een harde stenige bodem. In groter aantal te vinden in de grote rivieren en meren met stenen oevers.
VOEDSEL : Insekten, insektenlarven, wormpjes en kreeftachtigen.
LENGTE : De vis heeft een lengte tot circa 15 cm.
![]()
BITTERVOORN :

HERKENNING : Op de korte, onvolledige zijlijn liggen 34 tot 38 schubben. Op de achterzijde van het lichaam bevindt zich een blauw-groene streep. In het voorjaar zijn de vrouwtjes in het bezit van een zogenaamde legbuis.
VERSPREIDING : Vrij zeldzaam . Komt plaatselijk in groter aantal voor in stilstaande schone wateren. De bittervoorn is voor de voortplanting afhankelijk van de aanwezigheid van grote zoetwater mosselen.
VOEDSEL : Voornamelijk plantaardige materialen, dierlijk plankton en insecten larven.
LENGTE : De lengte van het visje wordt maximaal 10 cm
![]()
ELTRIS MAN : ELTRIS VROUW :

HERKENNING : De bek is eindstandig . Op de zijden bevinden zich donkere vlekken . De mannetjes tonen in de paartijd een felgekleurd paaikleed .
VERSPRIJDING : Zeer zeldzaam . Wordt plaatselijk in de Limburgse geul en in een beek op de Oosterlijke Veluwe aangetroffen.
VOEDSEL : Voornamelijk insektenlarven en kleine kreeftachtigen.
LENGTE : De lengte van de vis kan +/- 13 cm worden.
![]()
RIVIER GRONDEL :

HERKENNING : De bek is onderstandig. Er zijn 2 bekdraden aanwezig , een in elke hoek van de bek.
VERSPREIDING : Algemeen , Komt voor in de rivieren , maar ook plaatselijk in diverse stilstaande wateren.
VOEDSEL : Voornamelijk insektenlarven en wormpjes.
LENGTE : De lengte van deze vis kan circa 20 cm worden.
![]()
KROES-KARPER :

HERKENNING : Op de zijlijn liggen 33 tot 36 schubben. De rugvin is Bolrood. De 5e vinstraal is het langst. De bekdraden onbeken bij deze karpersoort.
VERSPREIDING : Vrij zeldzaam . Komt voor in stilstaande wateren met veel plantengroei en een zachte bodem.
VOEDSEL : Voornamelijk insekten , planten , dierlijk plankton en slakjes.
LENGTE : De lengte van deze vis wordt maximaal circa 50 cm.
![]()
BERMPJE :

HERKENNING : Er zijn 6 bekdraden van ongelijke lengte's aanwezig , waarvan e op de bovenlip en 2 in de hoeken van de bek. Lichaam en vinnen zijn onregelmatig vaag gevlekt . De voorzijde van de rugvin bevindt zich voor de voorzijde van de buikvinnen .
VERSPREIDING : Vrij zeldzaam . Het Bermpje komt in veel beken op zandgrond veelvuldig voor .
VOEDSEL : Voornamelijk kleine diertjes , wormpjes , insekten en larven daarvan .
LENGTE : De lengte van deze vis wordt circa 15 cm .
![]()
WINDE :

HERKENNING : De kleine bek is eindstandig . De rand van de anaalvin is ingesneden . Op de zijlijn liggen 56 tot 61 schubben.
VERSPREIDING : Algemeen . Vooral in het IJselmeer en de aangrenzende wateren , De Biesbosch en het Haringsvliet en elders in de grote rivieren . Kan door uitzetting ook voorkomen in afgesloten wateren .
VOEDSEL : Insekten , kleine kreeftachtigen en soms kleine vissen ( witvis ) .
LENGTE : De lengte van de vis kan wel 80 cm worden .
![]()
ROOFBLEI :

HERKENNING : De punt van de onderkaak valt in een kuiltje van de bovenkaak . De brede , schuin omhoog gerichte , bek loopt door tot onder het oog .
VERSPREIDING : Uitheems , zeldzaam . Komt van oorsprong uit het stroom gebied van de Donau en Oost - Europa . Wordt steeds vaker in de grotere rivieren en daarmee verbonden wateren gevangen.
VOEDSEL : Insekten , Insectenlarven en vis .
LENGTE : De lengte van deze vis kan wel 100 cm worden.
![]()
SPIEGEL - KARPER :

HERKENNING: De Spiegelkarper is een van de andere karpertypen te onderscheiden doordat overr het gehele lichaam een aantal onregelmatig geplaatste schubben van verschillende grootte voorkomen.
VERSPREIDING : Ingeburgerd , Algemeen , Komt door uitzetting in veel wateren voor.
VOEDSEL : Voornamelijk kleine kreeftachtigen , weekdiertjes , wormpjes en insektenlarven.
LENGTE : De lengte van deze vis kan wel 120 cm worden.
![]()
ZILVER - KARPER :

HERKENNING : De zilverkarper en de Grootkop karper lijken sterk op elkaar , De grootkop karper heeft een kortere kiel onder de buik.
VERSPREIDING : Uitheems . Deze van oorsprong uit China afkomstige karper kan in ons land worden aangetrffen. Via de grote rivieren komt een enkele maal een uitgezette vis van dit soort in ons land voor.
VOEDSEL : Algen
LENGTE : De lengte kan 100 cm worden.
![]()
GOUDVIS :

HERKENNING : Op de zijlijn van de goudvis komen 28 tot 31 schubben voor , De eerste vinstraal is tamelijk hard en getand . De rand van de rugvin is hol ingesneden . De goudvis is een kleurvariant van de Giebel .
VERSPREIDING : Uitheems . Werd oorspronkelijk in China en Japan gekweekt . Komt in ons land voornamelijk voor als siervis voor in de tuin of parkvijvers . Ook vormvariateiten zoals sluierstaarten , worden veelvuldig als siervis gehouden . Vaak worden er goudvissen vrij gelanten of ontsnappen ze naar het buiten water. Komt maar heel zelden voor als je er een vangt met de hengel.
VOEDSEL : Voornamelijk kleine diertjes en plantaardig materiaal .
LENGTE : De goudvis kan wel 40 cm worden.
![]()
![]()