Herkenning :
De snoekbaars is langgerekt en rond van vorm en heeft een puntige kop. De kleur van de snoekbaars is afhankelijk van de bodem, licht intensiteit in en de helderheid van het water. De kleur kan zilvergrijs tot goudbruin zijn en hij heeft vage donkere dwarsstrepen, die bij oudere exemplaren vervagen. Hij heeft twee rugvinnen, waarvan de voorste harde stekelige stralen heeft. Ook de rand van de kiewdeksel is voorzien van een scherpe punt. De ogen zijn groot en glazig. De snoekbaars kan 120 centimeter lang worden. De mannetjes kunnen worden onderscheiden aan hun donkere buik.
Jonge baars kan nog verward worden met snoekbaars, omdat beide soorten in dat stadium nog slank en bleek van kleur zijn. Aan de puntige kop is de jonge snoekbaars toch wel goed te onderscheiden. In Oost-Europa, Azië en Noord-Amerika komen verwante soorten voor. De snoekbaars die men kent in de Benelux is afkomstig uit wateren rond de Zwarte Zee ( Donau ).
Algemeen :
De snoekbaars kan in Nederland bij een lengte van 80 centimeter al groot genoemd worden. Hij kan echter wel 120 centimeter worden. De snoekbaars is een vis van het open water en leeft voornamelijk in diep water. De snoekbaars paait bij temperaturen van 12 tot 15 °C van april tot mei. De mannetjes maken in ondiep water een kuil die wortels van waterplanten blootlegt. De daar gelegde eieren worden door het mannetje bewaakt en door vinbewegingen van vers zuurstofrijk water voorzien.
Snoekbaars heeft een hekel aan teveel licht en zal overdag diepe of schaduwrijke plekken opzoeken. De jonge larven gaan zelfs dood bij te hoge lichtintensiteit. De jonge snoekbaars eet kleine beestjes zoals watervlooien . Naarmate hij groter wordt gaat deze solitaire vis over op grotere prooien, met name langwerpige vissen. De snoekbaars heeft wel een voorkeur voor wat kleinere prooien in vergelijking met de snoek, die prooien tot een derde van zijn eigen lichaamsgewicht kan verslinden.

De snoekbaars jaagt voornamelijk in de avond, omdat hij dan met zijn grote glazige ogen met reflecterend netvlies (de snoekbaars wordt om die reden ook wel 'glasoog' genoemd) een voordeel heeft ten opzichte van de prooivis. De snoekbaars maakt ook gebruik van het zijlijnorgaan dat gevoelig voor geringe drukverschillen en waterstromen en de vis in staat stelt de prooi te vinden door het waarnemen van de vortices die de bewegende prooi veroorzaakt. Het zijlijnorgaan kan ook worden gebruikt om grotere stilstaande objecten waar te nemen door de verstoring die ze opwekken in het stromingspatroon om de vis. De snoekbaars maakt ook gebruik van de geur om de prooi te vinden en wordt door vissers vaak met een reepje vis als aas gevangen.
In de winter trekt de snoekbaars zich als dat mogelijk is naar zeer diep water. Veel snoekbaarzen leven dan op dieptes tussen de tien en twintig meter.
Ecologische betekenis :
De snoekbaars komt van oorsprong uit Oost - en Midden - Europa . Sinds het einde van de 19e Eeuw is de vis echter uitgezet voor de visvangst. Doordat er in de zestiger en zeventiger jaren erg veel fosfaatrijk water werd geloosd werd door eutrofiëring de snoekstand zeer nadelig beïnvloed. Tegelijkertijd profiteerde de snoekbaars van het grote aanbod aan prooien door de toenemende biomassa en het verdwijnen van de snoek die snoekbaars ook op zijn menu heeft.
De competitie tussen beide soorten is in wezen beperkt omdat snoek en snoekbaars heel verschillende prooivoorkeuren en jachttechnieken hebben. In helder diep water komen beide soorten dan ook vaak in flinke dichtheden voor. Tegenwoordig is door de afname van het fosfaat gehalte van het water en bodemslib een omgekeerde trend waarneembaar en lijkt de snoekstand zich op veel plaatsen goed hersteld te hebben.
Op de randmeren en het IJsselmeer is de snoekbaarsstand flink afgenomen. Oorzaken daarvoor zijn het minder voedselrijk worden van het water, maar met name de Stroperij met kieuwnetten en te intensieve beroeps Visserij kunnen hiervan de oorzaak zijn. Op de grote rivieren is de snoekbaarsstand nog goed te noemen.
Snoekbaars vertegenwoordigt een grote economische waarde, vanwege het hooggewaardeerde visvlees en vanwege het grote aantal sportvissers dat met vrij geavanceerde materialen en boten op deze vissoort vist. Een herstel van de snoekbaarsstand is dus zeer gewenst vanuit economisch oogpunt. Ecologisch gezien is de snoekbaars een exoot in de Benelux, maar het is al geruime tijd ingeburgerd en heeft zijn eigen plaats in het ecosysteem ingenomen, zonder aantoonbare schade aan te richten.
Visserslatijn :
De vangst is gesloten van 15 april tot de laatste zondag van mei (in België) en van 1 april tot de laatste zaterdag in mei in Nederland. Het minimumformaat voor snoekbaars is 42 centimeter. De snoekbaars is een zeer goed eetbare vis. Veel snoekbaars wordt na vangst dan ook daarom meegenomen in plaats van teruggezet.
Enkele tip's
Aangezien
er ondertussen een ‘marktvraag’ is ontstaan naar de
technieken voor het vissen op snoekbaars, is dit
materiaal en techniek verslag opgesteld. In deze
minihandleiding worden algemene tips gegeven voor het
vangen van snoekbaarzen. Ik houd er rekening mee dat
niet iedere visser in het bezit van een boot is, dus
zullen ook een aantal tips worden gegeven voor het
kantvissen. Grofweg maak ik onderscheid tussen vissen
met natuurlijk – en onnatuurlijk aas.
Natuurlijk aas :
Onder natuurlijk aas worden meestal dode vissen
verstaan, waarmee
gevist kan worden op snoekbaars. Natuurlijk kun je ook
wel met ander
natuurlijk aas een snoekbaars vangen (wormen,
kreeftjes), maar dat
is wat minder gebruikelijk. Het vissen met dode (!!)
visjes is niet
zo heel lastig als veel mensen wellicht denken.
Benodigdheden: wat
aasjes (bijvoorbeeld voorn), een werphengel (liefst
tussen 2.40 en 3
meter), een passende molen met 20 tot 30/00 nylon,
schuiflood en
haken in de maten 2 tot 8. Het schuiflood moet een
gewicht hebben
(afhankelijk van de stroming van het water) tussen 20 en
80 gram. Er
zijn rivieren in Nederland waar 80 gram nog lang niet
voldoende is
en daar kan dan met bijvoorbeeld 100 gram gevist worden.
Het
optuigen gaat als volgt: 1) schuif het lood op de lijn
2) knoop een
wartel op de lijn om het lood te stoppen 3) bevestig een
onderlijn
van minimaal 50 cm 4) bevestig de haak aan de onderlijn.
De
onderlijn kan uit dezelfde lijn bestaan als de
hoofdlijn, maar
meestal wordt een dunnere lijn gebruikt. Kies hier niet
al te dun,
maar bijvoorbeeld 4 of 6/00 dunner dan de hoofdlijn.





